Gesproken column: Harm Klifman over Vertrouwen

Vertrouwen – het erover hebben staat gelijk aan het vaststellen van een tekort. En dat gebeurt echt heel vaak.

Denk maar aan het tanende vertrouwen in de overheid en in de instituties van onze democratie en rechtstaat.
Denk maar aan de steeds luider klinkende roep om leiderschap in organisaties.
Denk ook maar aan het wantrouwen tussen burgers onderling en aan de groeiende polarisatie over alles wat ons juist bij elkaar zou moeten brengen om tot duurzame oplossingen te komen (klimaat, milieu, ongelijkheid).

De tekst op deze video heft het alom geconstateerde tekort aan vertrouwen niet op, laat staan het verraderlijk sluimerend wantrouwen. Wel wil deze tekst verbinden en deelnemers aan vaak moeizame dialogen een basis voor verstandhouding en verder gesprek aanbieden.
De situatie is urgent, de noodzaak meer dan evident.

 

Uitnodiging: anders kijken naar strategie

Een strategie kan organisaties zowel in slaap sussen als alert maken. Gaat de energie vooral zitten in de totstandkoming van strategische plannen en valt het gesprek daarna stil? Of lukt het om van strategie een vaardigheid te maken (‘strategiseren’) waarmee je iedereen in de organisatie wakker schudt? Bureau de Bedoeling doet onderzoek naar een andere kijk op strategie en nodigt bestuurders en leidinggevenden uit om mee te denken. Interesse?
Lees hier ons eerste essay en meld je aan (mail naar anouk@bureaudebedoeling.nl).

Op zoek naar identiteit (Sinan Çankaya)

Onlangs las ik het boek ‘Mijn ontelbare identiteiten’ van Sinan Çankaya. Dit fragment (over de zoektocht naar identiteit van vele Nederlandse jongeren met een niet-westerse achtergrond) wil ik graag met je delen:

“Nationalisme is voor mij geen droge theorie, geen ver-van-mijn-bedshow. Die ene woensdagavond dat Clarence Seedorf mijn leven aanraakte, werd me dat heel duidelijk.
In de jaren negentig voetbalde Nederland meermaals tegen Turkije. Gekluisterd aan de televisie volgde ik eerst gespannen en toen met ongeloof de loting voor de kwalificatiewedstrijden. Weer in een poule ‘met Nederland? Verslagen gooide ik de afstandsbediening richting de televisie om die vervolgens weer gedwee op te rapen, omdat er een felle waarschuwing vanuit de keuken tot mij kwam. Ik wantrouwde de voorzitters van de FIFA, João Havelange en Sepp Blatter, om andere redenen dan waar de voetbalwereld hen om verguisde, en meende vastberaden dat de mannen het samenzweerderige plan hadden opgevat om mij van een onbekommerde jeugd te beroven. Zowel in 1994 als in 1998 zat Turkije in een poule met Nederland voor de kwalificatiewedstrijden van het wereldkampioenschap voetbal. Turkije zou steeds verliezen. Vrij snel werd duidelijk dat er beduidend meer op het spel stond dan kwalificatie voor het eindtoernooi: de wedstrijden werden een symbool van een ‘gebrekkige integratie’, ze golden als het bewijsstuk van de ontbrekende loyaliteit van migranten in een verward land dat aan besluiteloosheid over diezelfde migranten ten onder ging. (…)
Al in 1992, ik was tien jaar oud, besloten mijn klasgenoten dat ik voor Turkije was. Dat geschiedde op mijn basisschool, in een sterk etnisch gemêleerde klas. Dit onomkeerbare sentiment zou met de jaren aanzwellen. Na het verlies in 1992 (3-1 winst voor Nederland) en in 1993 (idem) werd ik door klasgenoten, vrienden en kennissen van de voetbalclub wekenlang getrakteerd op hoongelach. Ik moest tot in den treure Turkengrappen ondergaan. In die jaren waren scheldwoorden overbodig; het woord ‘Turk’ vormde geen denominatie voor een etnische groep maar was een scheldwoord op zichzelf. ‘Turk’ behoefde geen negatieve kwalificaties.
Ik was zo’n Turk, en dus voor Turkije.
Ook in de aanloop naar de wedstrijd op 2 april 1997 in het zogezegd ‘kolkende’ Atatürk Stadion in Bursa (in alle kranten kwam je het bijvoeglijk naamwoord ‘kolkende’ tegen), had iedereen in mijn grotendeels witte vwo-klas voor mij uitgemaakt waar mijn loyaliteit, affiniteit en solidariteit lagen. Ik stond helemaal niet voor een keuze, kon helemaal niet achteloos meegaan in de feeststemming van mijn klasgenoten. Zelf had ik nog nauwelijks kunnen nadenken over de vraag: om welke keuze ging het nu precies? Dat de druk om te integreren maar één kant opgaat, ondervond ik daarbij vroegtijdig: waar moest ik in vredesnaam in integreren? Ik zat op het vwo, haalde goede cijfers en sprak beter Nederlands dan de verzameling mompelende boeren uit aangrenzende gemeenten. Maar toen het erop aankwam, was ik plots weer een Turk, en voor Turkije. Geleidelijk aan nam ik de rol van Turk op mij. Ik zou hem een tijdlang met zo’n overtuiging, verve en blinde passie vertolken, dat ik op den duur vergat hoe deze ‘keuze’ ooit tot stand was gekomen.” (…)

Knokken om je potentie waar te maken: het verhaal van Sümer

“Als je in het onderwijs slimmer overkomt dan ze verwachten, laten ze je dat voelen. Studenten omarmen dat beeld, ze internaliseren het. Als ik een woord als ‘speculeren’ gebruikte, werd ik uitgelachen.”

Hoewel Sümer Şen tijdens zijn schoolloopbaan keer op keer geconfronteerd werd met een gebrek aan vertrouwen in zijn capaciteiten, bleef hij volhouden. De mensen die hem wél steunden op zijn pad, speelden een cruciale rol in zijn ontwikkeling. Inmiddels is Sümer 24 jaar en tutor aan de faculteit filosofie van de Radboud Universiteit. Trots deelt hij zijn verhaal, in het eerste van een reeks interviews voor Bureau de Bedoeling die we op termijn gaan bundelen.

Lees hier het verhaal van Sümer.

In gesprek op de Belgische ambassade

Eind vorig jaar publiceerden Robbin en ik onder de titel ‘Verrijk de wereld, ga een vriendschap aan’ een visie op het omgaan met verschillen die eindigde met de uitnodiging om samen een stukje op te lopen, om op reis te gaan in de wereld van een ander. Op die oproep zijn al veel bijzondere ontmoetingen gevolgd. Een daarvan was een lunchafspraak die ik onlangs had met de Belgische ambassadeur in Nederland. We hadden een fijn gesprek over de verschillen en overeenkomsten in de maatschappelijke integratievraagstukken in onze landen.

We constateerden dat jongeren met een niet-westerse familieachtergrond zowel in Nederland als België enorm op zoek zijn naar hun identiteit. In hoeverre ben ik Nederlander of Belg, in hoeverre (bijvoorbeeld) Marokkaan of Turk? Een belemmerende factor is de organisatie van het maatschappelijk middenveld rond deze jongeren. De organisaties waar deze jongeren in hun dagelijks leven mee te maken hebben, zijn grotendeels (nog?) langs etnische lijnen georganiseerd. Een Nederlandse of Belgische jongere met een Turkse achtergrond komt vooral met Turkse invloeden in aanraking, een Nederlandse of Belgische jongere met een Marokkaanse achtergrond met Marokkaanse invloeden. Jongeren blijven daardoor langs etnische lijnen denken. En dat staat de ontwikkeling van hun identiteit als Nederlander of Belg in de weg. Wat kunnen we daaraan doen? Helpt het als geestelijk leiders niet langer in landen van herkomst worden opgeleid, maar in Nederland en België? En hoe maken we jongeren echt nieuwsgierig naar de wereld van een ander?

“Hoe maken we jongeren echt nieuwsgierig naar de wereld van een ander?”

Die laatste vraag staat centraal in de trainingen socratische gespreksvoering die ik zowel in Nederland als in België verzorg. In socratische gesprekken kom je los van absolute waarden. Je stelt je oordeel uit om open te kunnen onderzoeken. Je gaat op reis in de wereld van een ander. Want de beste manier om verschillen te overbruggen, is persoonlijk contact. Verrijk de wereld, ga een vriendschap aan. (P.S. Mijn uitnodiging voor een persoonlijke ontmoeting geldt nog steeds. Heb je interesse, mail naar yassin@bureaudebedoeling.nl.)

Meer weten over de zoektocht naar identiteit van jongeren met een niet-westerse familieachtergond? Lees ook eens dit boek.

Interim in coronatijd (4): Toon Kuijs

Toon Kuijs werkt sinds maart 2020 via BdB als teamleider a.i. bij NUOVO in Utrecht (Trajectum College, Power College en – vanaf februari 2021 – Anna van Rijn College).

“Ik had net mijn reguliere baan in het onderwijs afgesloten toen de corona-epidemie uitbrak. Wat nu?, dacht ik nog even. Zes weken later kon ik via Bureau de Bedoeling aan de slag op het Trajectum College.

Starten op een school in lockdown is heel apart. Je wilt zorgen dat je benaderbaar bent. Ik ben meteen mensen op gaan zoeken en heb binnen een maand met iedereen een kennismakingsgesprek gevoerd. Ook ben ik – als het kan en veilig is – zoveel mogelijk op locatie aanwezig. Als je benaderbaar bent, heb je sneller contact. Het helpt ook als je zelf ervaring hebt met de onderwerpen waar collega’s mee bezig zijn.

“Hoe lastig de situatie door corona ook is, er zijn ook positieve kanten. Er is een wens om samen oplossingen te vinden, ineens is het mogelijk om over bezwaren heen te stappen.”

Een interimopdracht in coronatijd is een dubbele uitdaging. De veelzijdigheid en afwisseling die ik in het interimwerk zocht, heb ik het afgelopen jaar zeker gevonden. En hoe lastig de situatie door corona ook is, er zijn ook positieve kanten. Mensen zijn dichter tegen elkaar aan gekropen. Er is een wens om samen oplossingen te vinden. Ineens is het mogelijk om over bezwaren heen te stappen, waardoor bijvoorbeeld in het didactisch gebruik van ICT grote stappen zijn gezet. Ik hoop dat dit voor een blijvende verrijking van het onderwijsaanbod zorgt.”

 

Interim in coronatijd (3): Astrid Ruijtenberg

Astrid Ruijtenberg werkt sinds augustus 2020 via BdB als directeur a.i. van Mytylschool De Sprienke en de Deltaschool (so/vso) in Goes.

“Dit was mijn eerste interimopdracht, en ik heb er geen moment spijt van gehad. Ik houd van uitdaging, van afwisseling, van het ‘kort-en-krachtige’ van interimwerk. Voorheen heb ik veel in scholen gewerkt waar iets aan de hand was. Dat maakt de stap naar werken met een interimopdracht minder groot.

De start verschilt eigenlijk weinig van die in een vaste baan. Je brengt zo snel mogelijk de organisatie in kaart: wat is er nodig? Klopt dat met wat ik gehoord heb? Wat zie ik wel, wat niet? Communiceren met een nieuw team is in coronatijd natuurlijk wel een uitdaging. Veel gaat via Zoom of in kleiner comité dan normaal. Maar met een goede weekmemo en veel mailtjes en berichtjes kom je een eind. Wel merk je dat iedereen in de modus staat van ‘de belangrijkste dingen eerst’. Het organiseren van het onderwijs eist de aandacht op. Toen alle leerlingen nog naar school kwamen, was het continu schakelen: ‘Heeft er iemand klachten? Waar vinden we vervanging?’ Nu, in de lockdown, komen alleen kinderen met een kwetsbare thuissituatie naar school. Dat is minder hectisch, maar heeft wel weer gevolgen voor onze begroting, omdat zorgmiddelen van leerlingen met hen meeverhuizen.

“Iedereen staat in de modus van ‘de belangrijkste dingen eerst, het organiseren van het onderwijs eist de aandacht op.”

Hoe dan ook is het belangrijk om goed in contact te blijven met je opdrachtgever, het bestuur. Het is fijn dat er iemand van Bureau de Bedoeling met je meedenkt. Als het nodig is, heb je altijd iemand om mee te sparren, iemand die feedback geeft, die even mee kan lezen.

Inmiddels ben ik mijn opdracht aan het afronden, er is een vaste directeur benoemd. Het is vreemd om te vertrekken terwijl het werk voor je gevoel pas net begint. Tegelijkertijd kijk ik uit naar een nieuwe opdracht, een nieuwe puzzel. Van collega’s hoor ik terug dat ik ook in deze korte tijd iets voor ze heb kunnen betekenen. Dat vind ik fijn, dat mijn werk ertoe heeft gedaan.”

Interim in coronatijd (2): John Gooijers

John Gooijers werkte van mei 2020 tot en met februari 2021 via BdB als rector a.i. bij ZAAM, bestuur van het Pieter Nieuwland College in Amsterdam.

“Ik kwam laat in het schooljaar binnen en dan val je midden in de voorbereidingen voor volgend jaar: rooster, formatie, vacatures. Ook vanuit mijn interimopdracht lagen er dingen die meteen om aandacht vroegen. Gelukkig liep het online onderwijs goed. Gevolg was dat ik de eerste tijd vooral de roostermakers en de afdelingsleiders zag en maar mondjesmaat andere collega’s. Dat was een vreemde situatie. Wel konden we met alle collega’s het schooljaar afsluiten en het nieuwe jaar beginnen, dat gaf perspectief. Maar toen we opnieuw in lockdown gingen, zag ik dat de rek er een beetje uit ging. Mijn zorg en aandacht gingen dus vooral uit naar de mensen. Collega’s ervaren de situatie verschillend, je probeert zo te laveren dat alle groepen de aandacht krijgen die zij nodig hebben.”

“Collega’s ervaren de situatie verschillend, je probeert zo te laveren dat alle groepen de aandacht krijgen die zij nodig hebben.”

“Jammer was dat ik minder toekwam aan het in gang zetten van de ontwikkelingen die bij mijn interimopdracht horen. De waan van de dag eist de aandacht op, het is in de hoofden van mensen niet rustig genoeg om over ontwikkeling na te denken. Wel zet de situatie aan tot nadenken over andere vormen van onderwijs. Ook zijn er collega’s die juist nieuwe vaardigheden ontwikkelen; zij gedijen bij de dynamiek van dit moment. Toch hoop ik dat het licht aan het eind van de tunnel niet te lang op zich laat wachten, vooral ook voor de leerlingen die dit jaar examen doen. Voor hen is dit het moeilijkst.”

Interim in coronatijd (1): Naima Rahmouni

Naima Rahmouni, partner bij BdB, werkt sinds mei 2020 als directeur a.i. bij Openbaar Vmbo/mavo Zeist.

“Op een school waar je als interimmer komt, is meestal veel te doen. En corona helpt natuurlijk niet om dat allemaal voor elkaar te krijgen. Je mist toch voor een deel de verbinding met je team. We hadden hier onlangs een open dag, toen waren alle collega’s even tegelijk op school (onze bezoekers kwamen online). Dat was een prachtige ervaring, er waren meer bezoekers dan ooit tijdens een open dag! Ineens voel je dan weer hoezeer je de relatie nodig hebt om samen aan het onderwijs te bouwen.

Collega’s gaan aan op het moment dat zij over hun vak mogen praten. Dan verschijnt hun passie, hun betrokkenheid, de behoefte om samen met collega’s en leerlingen onderwijs vorm te geven. Wat is onderwijs? Een plek waar je bijeenkomt om samen te leren. Ik ben me de laatste tijd gaan afvragen of we het onderwijs niet veel meer zo moeten benaderen. Niet als een systeem, maar als een plek waar je elkaar ontmoet en een leergemeenschap vormt.

“Ik wil dat mensen ervaren dat ik geen interimmer ben die de boel met een staalborstel kom schoonvegen; dat ik samen met hen aan de school wil bouwen, een leergemeenschap wil vormen”

Sowieso zijn er op een school waar je als interimmer aan de slag gaat, altijd meer en andere dingen te doen dan vooraf bekend. Dat zeg ik bij het begin van elke opdracht ook tegen het bestuur: ‘ik merk pas wat de vraag is, als ik met beide benen in de praktijk sta.’ Hier in Zeist is het bijvoorbeeld ook van belang om te bouwen aan de cultuur, zodat mensen weer vol zelfvertrouwen de school kunnen vertegenwoordigen. Dat is een gezamenlijke opdracht, waarin ik het team wil meenemen. Maar het is ingewikkeld dat nu alles op afstand is. Ik mis de spontaniteit, het even binnenstappen in de klas, de ontmoetingen bij het koffiezetapparaat en in de docentenkamer. Ik wil dat mensen ervaren dat ik geen interimmer ben die de boel met een staalborstel kom schoonvegen; dat ik samen met hen aan de school wil bouwen, een leergemeenschap wil vormen. Maar voor een leergemeenschap heb je verbinding nodig, ook vanuit de directie. Ik besteed zoveel mogelijk aandacht aan communicatie. Meteen na de open dag een mailtje, elke vrijdagmiddag een weekbericht met alles wat er maar te melden valt. Transparantie is extra belangrijk nu je door corona meer op afstand staat.

Ook voor jezelf kan het eenzaam zijn. Als interimmer mis je de contacten met collega-bestuurders of -directeuren die je in een vaste betrekking opbouwt. Daarom zorgen we vanuit Bureau de Bedoeling dat iedere interimmer een maatje heeft. Iemand die meeleest en meeleeft. Die meedenkt en meekijkt. Ook voor de opdrachtgever is dat fijn. Want mocht ik uitvallen, dan is er altijd iemand anders die ook van de hoed en de rand weet. Interimwerk is samenspel. Dat vind ik het belangrijkst.”

Dit is de Bedoeling van Naima.

 

Maatwerk

Met verbijstering kijk ik naar (stukjes van) de parlementaire enquête ‘Toeslagenaffaire’. Een tranendal, vooral voor de ouders die dit leed is aangedaan. Vingerwijzen, het onvermogen om bij te sturen of het echte probleem te zien. Ingrepen die eerder politiek gemotiveerd lijken dan ingegeven vanuit de wil om problemen op te lossen. Dit zeg ik zonder persoonlijke beschuldigingen, ook omdat ik denk dat de meest (top)ambtenaren en politici – net als ik – met de beste bedoelingen doen wat ze doen. En toch gaat het hier verschrikkelijk mis.
Ondertussen dwalen mijn gedachten naar de ’25 verbetermaatregelen Passend Onderwijs’ van onderwijsminister Arie Slob. Hoe begrijpelijk die ook zijn, en hoe verklaarbaar ook – de vraag blijft wat mij betreft: welk probleem lossen we hiermee op? En voor wie?
Misschien moeten we een beetje minder in politieke oplossingen denken en wat meer vanuit de praktijk. Meer individueel en minder systeem. Het lijkt me dat dát de essentie zou moeten zijn bij passend onderwijs: individueel kijken naar kinderen, hun vermogen, hun talenten en hun omgeving. En natuurlijk ook naar ons eigen vermogen tot maatwerk. Met oog voor de grenzen van de maakbaarheid.